
Uitweg uit een impasse ?
Uit voorgaande komen een heel aantal tegenstellingen naar voren. De tegenstelling tussen de houding die erin bestaat het gebruik vrouwen te besnijden, af te doen als een barbaars gebruik dat zo snel mogelijk de wereld uit geholpen moet worden, en het niet willen opgeven van het gebruik door de betrokken gemeenschappen. De tegenstelling tussen prioriteit geven aan het individu (in het Westen) of aan de groep (in veel andere culturen). De tegenstelling tussen (ver)oordelen (universalisme) en totaal niet (willen) oordelen (relativisme). De tegenstelling tussen progressief en circulair denken (het Westen gaat ervan uit dat er, doorheen de tijd, veranderingen optreden die een vooruitgang inhouden en die dus sterk aan te moedigen zijn, in veel (Afrikaanse) culturen denkt men eerder circulair waarbij men steeds teruggrijpt naar het verleden, naar hoe de voorouders leefden, men wil hieraan vasthouden, vindt tradities belangrijk). Deze tegenstellingen zijn alle van culturele aard.
In het Westen, zo blijkt uit de literatuur, wordt het gebruik vrouwen te besnijden sterk afgekeurd. Alleen al het gebruik van de term mutilatie, geeft dit weer. De hevige reactie tegen het gebruik, is geankerd in het overwegend universalistisch denken dat in het Westen gebezigd wordt. Het universalisme stelt dat er universele normen en waarden bestaan die altijd en overal geldig zijn. De besnijdenis van de vrouw wordt vaak gezien als een onderdrukking van de vrouw door de man, een praktijk waartegen het feminisme jarenlang heeft gevochten en die niet meer geaccepteerd wordt in de Westerse samenlevingen (in ieder geval in theorie). Er wordt in het Westen aangenomen dat de vrouw evenveel rechten heeft dan de man en dat dit juist is. Men meent dat dit overal ter wereld zo zou moeten zijn. Wanneer groepen van elders zich in het Westen vestigen, wordt verwacht dat zij dit niet enkel respecteren maar ook accepteren en zich ernaar gedragen. Een gebruik zoals het besnijden van vrouwen, past niet in deze opvatting over man/vrouw patronen.
In het Westen gaan weliswaar stemmen op voor een of andere vorm van cultureel/ethisch relativisme maar de boventoon wordt gevoerd door een cultureel/ethisch universalisme. Het relativistisch denken krijgt veel kritiek en wanneer men kijkt naar wetteksten en dergelijke, als institutionalisering van waarden en normen, moet men concluderen dat geen rekening wordt gehouden met andere zienswijzen. Er zijn soms wel tekenen dat culturele factoren erkend worden in de rechtspraak (voorwaardelijke straf in plaats van effectieve toekennen of het niet toepassen van de wetgeving maar het te gebruiken als signaal dat een debat zou kunnen entameren bijvoorbeeld) maar aan het principe dat het een sterk afkeurenswaardige praktijk is, wordt niet getornd.
Aangezien de door mij geïnterviewde vrouwen, allen aan eenzelfde profiel beantwoorden, zijn mijn data dus te beperkt om te bewijzen dat de houding die deze vrouwen aannemen ten aanzien van het besnijden van vrouwen, inderdaad hardnekkig is. Verder onderzoek onder vrouwen met een ander profiel (bijvoorbeeld vrouwen die al langer in België verblijven, beter geïntegreerd zijn en/of beter opgeleid zijn) zou moeten uitwijzen of dit daadwerkelijk zo is. Feit blijft wel dat in ieder geval deze (geïnterviewde) vrouwen er sterk van overtuigd zijn dat het besnijden van vrouwen een gebruik is dat behouden moet blijven.
Wanneer beide partijen (zij die voor het gebruik zijn en zij die er tegen zijn) bij hun standpunt blijven, dreigt er een impasse te ontstaan. Aangezien het gros van de mensen in het Westen niet bereid is een relativistisch standpunt in te nemen, maar er integendeel van overtuigd is dat er universele normen en waarden bestaan, en repressie niet helpt om het doel (afschaffing van de besnijdenis bij vrouwen) te bereiken, lijkt de enige uitweg uit de impasse ( tegenstelling tussen universalistisch denken - relativistisch denken, progressief - circulair denken, prioriteit van het individu - de groep, verandering - behoud) de tijd, ervan uitgaande dat cultuur geen stabiel gegeven is, dat een bepaalde acculturatie overal speelt en dat interculturele communicatieprocessen, niet alleen de mening maar ook het gedrag van de gemeenschappen die besnijdenis bij vrouwen toepassen, noodzakelijkerwijze zal veranderen.
Het uitvaardigen van wetten blijkt immers onvoldoende te zijn om de praktijk te doen stoppen. Dit is overduidelijk gebleken, niet enkel in België, ook in andere Europese landen, de Verenigde Staten, Canada en Australië. Regelmatig verschijnen er artikelen in de krant waaruit blijkt dat de praktijk blijft voortbestaan, ondanks de wetgeving daaromtrent. Ook, en misschien vooral, in Afrikaanse landen, werkt louter wetgeving niet. Mijns inziens moeten de betrokkenen actief in de discussie omtrent dit gebruik betrokken worden, niet alleen de directe betrokkenen zoals de ouders maar ook bijvoorbeeld de uitgebreide familie, onderwijzend personeel en religieuze leiders.
Aangaande genoemde factoren (cultuur als dynamisch gegeven, acculturatie, interculturele communicatieprocessen) is al heel wat aan theorievorming gedaan. In volgende paragrafen zal ik hier kort op ingaan. Verder zal ik ook ingaan op de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om voorlichting, meer bepaald interculturele voorlichting, te geven, daar het geven van voorlichting een belangrijk hulpmiddel kan zijn om niet alleen attitudes maar ook gedrag te veranderen.
Cultuur als dynamisch gegeven
Eerder heb ik het al over cultuur gehad. Ik heb een overkoepelende definitie gegeven van cultuur. Er is echter een element dat niet in die definitie is opgenomen, namelijk dat cultuur een dynamisch gegeven is. PINTO komt tot de volgende omschrijving: "Cultuur is een evoluerend systeem van generatie op generatie doorgegeven regels waaraan een groep mensen (die zich lid voelen van deze groep) - vaak onbewust - gehoorzaamt, dat bovendien een referentiekader is van en voor het gedrag en dat de kijk op de wereld bepaalt."
Het is dus mogelijk dat er een bepaalde sociale verandering optreedt, door JEF VERHOEVEN, geciteerd door LIE en SERVAES, als volgt gedefinieerd: “een significante wijziging van gestructureerd sociaal handelen en/of van de cultuur van roldragers, groepen of collectiviteiten”. Om sociale verandering te bewerkstelligen is communicatie erg belangrijk. Communicatie en cultuur zijn sterk met elkaar verweven. Wil deze communicatie positieve effecten teweegbrengen, dient ze wel intercultureel te zijn. Over interculturele communicatie heb ik het in de volgende paragraaf.
Interculturele communicatie
Men aanvaardt doorgaans dat er duidelijk verschillende categorieën van culturen zijn te onderscheiden, die we moderne en traditionele culturen kunnen noemen. Modern en traditioneel moeten dan wel in de neutrale betekenis van het woord gezien worden.
Volgens PINTO kunnen deze culturen beter aangeduid worden als respectievelijk G-culturen en F-culturen. G-culturen zijn culturen waarin een grofmazige structuur van gedragsregels overheerst, bij F-culturen bestaat echter een fijnmazige structuur van gedragsregels. Het betreft een fundamenteel verschil dat invloed heeft op de manier van communiceren.
Wanneer men de vrouwen uit Afrikaanse gemeenschappen waar het gebruikelijk is, vrouwen te besnijden, wil bereiken om hen ervan te overtuigen het gebruik op te geven, houdt men best rekening met het feit dat zij uit een andere cultuur afkomstig zijn en er daardoor mogelijkerwijs miscommunicatie kan ontstaan doordat zij onze manier van communiceren op een andere manier interpreteren. Men dient zich er op de eerste plaats bewust van te zijn dat er verschillende communicatiepatronen bestaan en vervolgens dient men hier ook daadwerkelijk rekening mee te houden.
Communicatietheorie van Eppink
| WIJ-CULTUUR | IK-CULTUUR | |
| Impliciete communicatiecodes | A | C |
| Expliciete communicatiecodes | B | D |
Het model is gebaseerd op twee variabelen, namelijk de communicatiecode en de relationele oriëntatie.
EPPINK maakt een verschil tussen de impliciete en de expliciete communicatiecode. "De impliciete communicatiecode omvat taalgebruik voor de goede verstaanders die maar een half woord nodig hebben." Deze code is beperkt tot één bepaalde (sub)cultuur of groep. Edward T. HALL spreekt ook wel over de 'High Context Culture' omdat veel afhangt van de context waarbinnen iets gezegd wordt.
De expliciete communicatiecode is daarentegen erop gericht om zo duidelijk mogelijk te zijn voor iedereen , dus ook voor buitenstaanders. HALL heeft het over 'Low Context Culture'.
"De plaats die het individu van een (sub)cultuur in de samenleving inneemt, is van belang, waarbij het er vooral om gaat of de samenstelling groepsgericht, dan wel individu-gericht is". "A gebruikt tot de groep beperkte, impliciete communicatiecodes in een groep-gerichte samenleving met de nadruk op rolgedrag. B gebruikt buiten de groep uitgebreide, expliciete communicatiecodes in een groep-gerichte samenleving met de nadruk op rolgedrag. C gebruikt tot de groep beperkte, impliciete communicatiecodes in een persoon-gerichte samenleving. D tenslotte gebruikt buiten de groep uitgebreide, expliciete communicatiecodes in een persoon-gerichte samenleving."
Dit schema van EPPINK kan gebruikt worden om verschillen in communicatievormen te verduidelijken. Een voorbeeld: "Ja en nee betekenen in F-culturen lang niet altijd hetzelfde en dienen niet even letterlijk genomen te worden als in G-culturen." Men kent bijvoorbeeld het probleem van het beleefdheidsantwoord: wanneer men communiceert met iemand die meer status heeft, zal men "niet tegenspreken want een belangrijk persoon heeft altijd gelijk". Een ander voorbeeld is dat in F-culturen zeer vaak gebruik wordt gemaakt van verhalen. Dit om mogelijk pijnlijke of bedreigende situaties voor de gesprekspartner te voorkomen, zodat deze zich niet in zijn eer aangetast hoeft te voelen. Men geeft voorbeelden uit vergelijkbare situaties zodat het over iemand anders gaat.
Ideaal van machtsvrije communicatie
Vaak is er een machtsongelijkheid tussen de verschillende partijen. Dit hoeft echter niet per definitie een probleem te zijn. HABERMAS heeft binnen zijn theorie van het communicatieve handelen het ideaal van de machtsvrije communicatie ontwikkeld.
Hiervoor moet aan een aantal voorwaarden voldaan worden: "de maatschappelijke positie en normering van elk der partners moet voor elkaar openliggen en bekritiseerd kunnen worden. Het is niet zo dat "de posities gelijk moeten liggen maar zij moeten niet zodanig macht op elkaar uitoefenen dat de zelfmacht - de eigen kracht - niet gewekt kan worden of zelfs teniet gaat." "De ideale gesprekssituatie vraagt om een symmetrische verhouding van de partners ten aanzien van de leefwerelden in hun totaliteit en in hun onderscheiden componenten." Kernwoord hierbij is wederzijds respect. Uit de door mij afgenomen interviews blijkt dat de vrouwen voelen dat het hieraan ontbreekt, of dit nu een gerechtvaardigd gevoel is of niet. Hieraan zou dus speciale aandacht gegeven moeten worden.
Macht wordt meestal bekeken in relatie tot iets of iemand anders en naarmate de afstand van de machteloze tot de machthebber groter is, is de motivatie om deze kloof te overbruggen kleiner. Zelfmacht heeft te maken met 'iemand zijn', met 'eigen waarde' en met 'niet ten onder gaan'. Machtsvrije communicatie wordt nu gezien als "een communicatie die zelfmacht ontwikkelt als een basis voor het handelen in probleemsituaties en in emancipatorisch perspectief."
Bedenkingen
De term ‘interculturele communicatie’
“Het proces van communicatie tussen mensen van verschillende culturele achtergronden wordt in de relevante literatuur niet alleen met de term interculturele communicatie aangeduid. Ook termen als interraciale, interetnische, en crossculturele communicatie en communicatie met vreemdelingen worden in dit verband gebezigd. De belangrijkste reden voor het ontstaan van deze brede variatie aan termen kan gezocht worden in de poging van deskundigen om de vaagheid van het begrip cultuur te omzeilen. Hoewel men met al deze termen naar hetzelfde type communicatie verwijst en dezelfde processen tracht te bestuderen is deze terminologie sterk bekritiseerd. Zo wordt het begrip crosscultureel meestal gereserveerd voor studies die gericht zijn op vergelijkingen tussen culturen en niet zozeer om de communicatie tussen mensen met verschillende culturele achtergronden aan te duiden. Ook de begrippen interraciale en interetnische communicatie zijn volgens KNAPP et al. om allerlei redenen onbruikbaar om de term interculturele communicatie te vervangen.”
Dichotome classificaties
“Om in het kader van interculturele communicatie de voorspelbaarheid van het wederzijds gedrag van de gesprekspartners te verhogen treft men in de literatuur allerlei dichotome classificaties van wereldculturen aan zoals bijvoorbeeld individualistisch tegenover collectivistisch, modern tegenover traditioneel, westers tegenover niet-westers, (F)ijn-mazig tegenover (G)rof-mazig en schuld- tegenover schaamteculturen. In Nederland ziet men de laatste jaren een veelheid aan publicaties verschijnen waarin dergelijke classificaties centraal staan of worden toegepast en waarin een casuïstische en anekdotische aanpak wordt gehanteerd bij het inzichtelijk maken van de processen van interculturele communicatie (vgl. o.a. EPPINK 1981; PINTO 1990). Anderen gaan terecht een stap verder en benadrukken ook de invloed van andere niet-culturele factoren op het communictaieproces (zie HOFFMAN en ARTS 1994). Gezien de complexiteit en heterogeniteit van iedere afzonderlijke cultuur, zoals eerder is aangegeven, is het niet verbazingwekkend dat er op zulke dichotome benaderingen veel af te dingen valt, niet in het minst omdat deze niets anders zijn dan ideaaltypische constructies, die de maatschappelijke werkelijkheid geweld aandoen en daarmee interculturele ontmoetingen eerder bemoeilijken dan vergemakkelijken.”
Dynamiek van cultuur
“Hoe waardevol de theorie van de culturele variabiliteit voor het inter- en crosscultureelonderzoek ook moge zijn, er dient tenslotte toch de vraag gesteld te worden naar de bruikbaarheid ervan voor de praktijk van de interculturele communicatie en in het bijzonder voor interculturele ontmoetingen in een immigratiesituatie. Het is namelijk nog maar de vraag of immigranten onverkort hun culturele normen en praktijken die ze onderling of in de landen van herkomst gebruiken onverkort en ongewijzigd blijven toepassen in hun omgang met mensen uit andere culturen. Naar alle waarschijnlijkheid zullen ze situaties of ontmoetingen waar ze geen raad mee weten eerder vermijden of op een of andere manier rekening houden met de gewoonten en praktijken in het immigratieland. Voorts is een dergelijke opvatting in strijd met de intrinsieke dynamiek van cultuur. In den vreemde zijn de ervaringen van immigranten meer intensief en gedifferentieerd waardoor ze zelfs sterker onderhevig zijn aan culturele verandering dan hun cultuurgenoten in het land van herkomst. De culturele verandering die immigrantengroepen in het nieuwe land ondergaan is duidelijk aangetoond in het onderzoek van Lambert (1987, 12) naar de opvoedingsstijlen en -waarden bij 11 verschillende etnische groepen in Amerika. In dat onderzoek is gebleken dat de sociale klasse waartoe de ouders gerekend worden een veel grotere invloed heeft op de opvoedingspraktijken dan de etnische afkomst. Lambert stelt in dit verband terecht, dat alvorens conclusies te trekken over culturele verschillen tussen groepen, de onderzoeker eerst de invloed van de socio-economische variabele in het onderzoek dient uit te schakelen. Want, het onderzoek laat zien dat de waarden die Italiaanse ouders uit de arbeidersklasse gebruiken bij de opvoeding van hun kinderen meer overeenkomsten vertonen met die van Japanse ouders uit dezelfde klasse dan met die van Italiaanse ouders uit de middenklasse. Hetzelfde geldt ook voor de opvoedingsstijlen van Grieken en Japanners.”
Beeldvorming
“Andere factoren die het interculturele communicatieproces kunnen beïnvloeden betreffen de attitudes jegens en beeldvorming over de gesprekspartner en over de groep waartoe deze gerekend wordt. De sociale categoriseringstheorie laat zien dat mensen hun sociale omgeving altijd in groepen indelen op basis van criteria zoals beroep, woonplaats, sekse, religie, etniciteit, afkomst, taal en leeftijd, onder andere om de wereld om hun heen overzichtelijk en beheersbaar te maken. Tegelijkertijd is iedereen lid van een aantal van deze groepen waaraan hij ook zijn sociale identiteit ontleent. Omdat iedereen uit is op het verkrijgen van een positieve sociale identiteit is de mens geneigd de groep waartoe hij of zij behoort positiever of in ieder geval minder negatief te beoordelen dan de andere groepen. Beeldvorming is het concrete resultaat van dat evaluatieproces, dat voornamelijk bestaat uit stereotypen en vooroordelen jegens zich zelf (zelfperceptie) enerzijds en jegens anderen in de omgeving anderzijds. Generalisaties en vooroordelen over anderen zijn, zoals bekend, van alle tijden en alom aanwezig. Reeds aan het begin van de jaren vijftig heeft de internationaal befaamde wetenschapper ALLPORT gewezen op de onmisbaarheid van deze verschijnselen voor de mens bij het overzichtelijk en hanteerbaar maken van de wereld om hem heen. … Beeldvorming over de ander vertaalt zich onmiddellijk in de manier waarop iemand zich tot die ander richt en zijn of haar boodschap opvat en interpreteert. Het behoeft geen betoog dat wanneer iemand een ander graag mag en met hem of haar met plezier een conversatie voert de communicatie vlotter zal verlopen. Dienovereenkomstig zal een negatieve houding jegens de gesprekspartner of de groep waartoe deze behoort het beoogde communicatiedoel in gevaar brengen: de ontvangen boodschap zal waarschijnlijk op een manier worden geïnterpreteerd die overeenkomt met de betreffende houding. Interculturele communicatie tussen autochtonen en allochtonen kan niet adequaat kan verlopen als de wederzijds toegeschreven culturele identiteiten in grote mate gebaseerd zijn op generalisaties en vooroordelen.”
Voorlichting
Wanneer men wil bereiken dat het hardnekkig voortbestaan van de praktijk van het besnijden van vrouwen, doorbroken wordt, moet men niet alleen de zienswijze van de vrouwen trachten te veranderen, maar ook een gedragsverandering zien te bewerkstelligen. Voorlichting kan hierbij een belangrijk instrument zijn. Belangrijk hierbij is wel dat de voorlichting afgestemd moet zijn op de doelgroep, iets waar het nogal eens aan ontbreekt. Wanneer men een voorlichtingsactiviteit gaat ondernemen is een goede voorbereiding minstens het halve werk. "Het voorlichtingsplan waarin problemen, doelen, doelgroepen beschreven staan, leidt tot een verantwoorde middelen- en mediakeuze." "Het ongestructureerd aanbieden van voorlichtingsmateriaal heeft geen enkele zin." Volgende paragrafen zal ik een aantal punten aanbrengen, waar rekening mee gehouden moet worden, wil men op een succesvolle manier voorlichting geven.
Stap 1: het maken van een probleemanalyse
"Het is belangrijk het aan te pakken probleem zoveel mogelijk in te perken en zo precies mogelijk te definiëren." Ook moet men vaststellen wie een probleem heeft. De informatiebehoeften van achterstandsgroepen (waaronder migranten) zijn vaak slechts latent aanwezig. Men zal niet uit zichzelf op zoek gaan naar informatie.
Het is ook niet zo gemakkelijk de behoeften te achterhalen. Ze worden wel onderzocht, via enquêtes, maar de uitkomsten van zo'n onderzoek zijn erg globaal en moeilijk op waarde te schatten. Er zal een vertekening plaatsvinden door het vertonen van sociaal wenselijk gedrag, kenmerkend voor F-culturen.
Belemmerende factoren en hoe men daarmee omgaat
1. Taalverschillen
VAN DER MEER onderscheidt 4 categorieën: "migranten die geen woord Nederlands spreken, migranten die enkele woordjes spreken, migranten die zich redelijk goed verstaanbaar kunnen maken en tenslotte migranten die het Nederlands ècht beheersen." Onvoorstelbaar veel migranten behoren tot de eerste categorie, migranten uit de laatste categorie zijn zeldzaam.
Dit stelt problemen voor de voorlichting. Schriftelijke voorlichting kan slechts een heel beperkte rol vervullen. Het is weinig effectief om het simpele feit alleen al dat grote delen van de doelgroep analfabeet zijn. Kiest men toch voor schriftelijke voorlichting dan zal die aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen waar later nog op ingegaan zal worden.
DE TOLK
De tolk kan een belangrijke bijlage leveren aan het overbruggen van taalverschillen. Er zijn als het ware drie soorten van tolken: een kennis of familielid van diegene die voorgelicht moet worden, het kind als tolk en de professionele tolk.
Het is beter om alleen gebruik te maken van de professionele tolk. Kennissen of familieleden beheersen de taal vaak ook nog slecht, bij gebruik van het kind als tolk kan de ouder-kind relatie verstoord worden.
De tolk kan een aantal verschillende rollen aannemen. Ten eerste kan hij optreden als vertaler. Deze rol is gecompliceerder dan het op het eerste gezicht lijkt. Zo kan de tolk problemen hebben met het dialect. Ten tweede kan de tolk fungeren als verteller. Dan komt hij vaak op eigen initiatief en op verzoek met informatie. Hij geeft naar beide kanten toelichting. Tenslotte kan de tolk optreden als vertolker of pleitbezorger. Dit is de meest gecompliceerde rol.
Voor de tolk is het een kunst een evenwicht te vinden tussen de drie rollen. "Waar de tolk de verteller en vertolker speelt, is het gevaar voor evenwichtstoornissen het grootst."
Men kan een tolk nooit beschouwen als een neutraal communicatiemiddel, als een soort computer. De tolk moet de betekenis aanvoelen en in de andere taal de juiste woorden vinden om een gelijkaardige betekenis uit te drukken. Men moet er zeker van zijn dat de tolk de betekenis juist overbrengt en niet bijvoorbeeld zaken verdraait om sociaal gewenst gedrag te vertonen.
"Voor de tolk is het de kunst zo bescheiden mogelijk op de achtergrond te blijven maar onmiddellijk alert te zijn waar nodig, ook op eigen initiatief."
Er moet voldoende overleg zijn tussen de tolk en de voorlichter. Een goede vertaler is immers nog niet tegelijkertijd een goede voorlichter.
Bij communicatie met mannen nodigt men best een mannelijke tolk uit, bij vrouwen zeker een vrouwelijke tolk. De tolk moet vertrouwd worden om een goede communicatie tot stand te brengen.
2. Cultuurverschillen en sociaal-economische factoren
Wat cultuurverschillen betreft, hierbij gaat het er vooral om dat men voldoende rekening moet houden met de waarden en normen van de doelgroep. Wat de sociaal-economische factoren betreft, moet men zich realiseren dat "de ruimte die migranten hebben om voorlichtingsadviezen op te volgen vaak maar heel klein is. Vooral als deze adviezen geld kosten." "Ook moet men rekening houden met de sociale verhoudingen binnen de migrantengemeenschap."
Stap 2: het formuleren van doelstellingen
Er zijn drie soorten doelstellingen: doelstellingen gericht op kennisoverdracht, doelstellingen gericht op houdingsbeïnvloeding en doelstellingen gericht op gedragsbeïnvloeding. Deze zijn niet altijd strikt uit elkaar te houden. Toch moet men ze, indien mogelijk, apart benoemen. Welke de doelstellingen zijn, volgt uit de probleemanalyse.
Bij elke soort doelstelling, hoort een bepaalde voorlichtingsvorm: informerend bij kennisoverdracht, meningsvormend bij houdingsbeïnvloeding en instructief bij gedragsbeïnvloeding.
Stap 3: selectie van de doelgroepen
Een eerste stap naar een afbakening is het ontdekken van een gemeenschappelijke vraag. "Vervolgens spelen factoren als leeftijd, geslacht, opleiding, inkomen, interesse, voorkennis, politieke kleur, mediagebruik enzovoort een grote rol bij de afbakening."
"Men realiseert zich dat 'de doelgroep migranten' niet bestaat, dat er grote verschillen zijn tussen de verschillende etnische groepen èn binnen de etnische groepen."
Groepsvoorlichting kan vaak niet gegeven worden aan personen van verschillend geslacht. In sommige gevallen moet men de doelgroep 'vrouwen' ook nog onderverdelen in jongere en oudere vrouwen. "Dit is met name het geval bij zaken waarover men vrij genormeerd denkt."
Stap 4: het vaststellen van de inhoud
Als het enigszins mogelijk is, is het raadzaam de inhoud van de voorlichting vast te leggen in overleg met de betrokken migranten zelf. Wanneer men de migranten zelf raadpleegt, vloeit daar een groter vertrouwen uit voort hetgeen heel belangrijk is.
Men moet ook rekening houden met een aantal ondervindingen die in onderzoek naar voor zijn gekomen: mensen kunnen maximaal 6 à 7 onderwerpen per uur verwerken, men kan zich maximaal 20 minuten volledig concentreren. "Ook de verhouding tussen ontvangen informatie (passief) en eigen inbreng (actief) is van belang." Eigen inbreng verhoogt de interesse. Tenslotte moet de inhoud aansluiten bij de kennis/ervaring die de voorgelichte al heeft.
Stap 5: samenwerkingsmogelijkheden
Intermediaire kaders
Soms is samenwerking erg nuttig: een effectiever gebruik van tijd en geld, beter bereik van de doelgroep, een grotere deskundigheid,...
Men kan dan gebruik maken van intermediaire kaders. Er bestaan twee soorten: intermediairen die dat zijn vanuit hun beroep, zoals huisartsen, en intermediairen die afkomstig zijn uit de doelgroep en als zodanig een bepaalde functie bekleden.
Het is nuttig om gebruik te maken van intermediaire kaders omwille van verschillende redenen. Ze kunnen informatie geven over de belangstelling voor en voorkennis van een bepaald onderwerp. Ze kunnen wijzen op culturele of sociale factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij het geven van voorlichting. Ze kunnen behulpzaam zijn bij het testen van voorlichtingsmateriaal. Ze kunnen een beginpunt zijn voor een sociaal netwerk (zie verder).
Verder kunnen ze een negatief beeld dat eventueel mocht bestaan over de voorlichter wegnemen (men staat bijvoorbeeld vaak wantrouwend ten opzichte van de overheden). Ten slotte kunnen ze ervoor zorgen dat de boodschap beter afgestemd is op de belevingswereld van de migrant (onder andere door het testen van materiaal zoals al eerder is vermeld).
Niet iedereen is geschikt als intermediair. De intermediair moet het vertrouwen hebben van de doelgroep. Als het even kan is de intermediair een opinieleider. Een opinieleider is iemand die een meer dan gemiddelde invloed heeft op zijn omgeving.
Wanneer men werkt met intermediaire kaders is het belangrijk dat men duidelijke afspraken maakt. "Zowel de voorlichter als de persoon of organisatie die gaat functioneren als intermediair kader moet weten wat van de ander verwacht kan worden." Indien er geen duidelijke afspraken gemaakt worden, bestaat het gevaar dat men "de verantwoordelijkheid voor migrantenvoorlichting over een bepaald thema naar elkaar gaat doorschuiven, waarbij uiteindelijk helemaal geen voorlichting plaats heeft."
Het is goed niet té veel te verwachten van de intermediaire kaders. De meeste organisaties kampen met een gebrek aan geld, menskracht, faciliteiten... Veel personen die geschikt zijn om te fungeren als intermediair kader worden overvraagd. De tijdsdruk is dan te groot om alles goed te kunnen doen.
Het sociale netwerk
Zoals al eerder gesteld kunnen intermediaire kaders een beginpunt zijn voor een sociaal netwerk. "De sociale netwerkbenadering, een lokaal voorlichtingsprogramma dat gebruik maakt van bestaande sociale contacten binnen de groep waar men zich op richt (de doelgroep), lijkt een veelbelovend alternatief te zijn voor massamediale campagnes." Een sociaal netwerk kan een hele goede ingang zijn voor het verspreiden van materiaal.
De kosten zullen in het begin waarschijnlijk hoger zijn maar latere fasen zijn veel minder kostbaar, vooral vanaf het moment dat de projektgroepleden in staat zijn het programma grotendeels zelf, op eigen kracht uit te voeren. Doelstellingen met betrekking tot gedragsveranderingen zullen waarschijnlijk kosten-effectiever bereikt kunnen worden via de netwerkbenadering.
Het is belangrijk dat men een inzicht krijgt in hoe het sociale netwerk van de doelgroep er precies uitziet. Een manier om dat inzicht te krijgen is het raadplegen van zogenaamde 'sleutelinformanten' zoals bijvoorbeeld een wijkagent, het schoolhoofd, iemand van het sociaal-culturele werk… Zodra men weet hoe het sociale netwerk in elkaar zit, kan men aan de slag. Voorlichting wordt dan gegeven via een 'tweetrapsraket', via de intermediair naar de doelgroep. "De leden van de doelgroep kunnen dan als het allemaal optimaal verloopt zorgen voor een 'drietrapsraket' waarbij mensen die het eerst bereikt worden, de informatie doorgeven naar de volgende groep: de buren, familie, de vriendenkring.
Stap 6: methodieken
Eenrichtingsverkeer werkt in de voorlichting aan migranten niet of zelden. Massamediale voorlichting, waarbij meestal sprake is van eenrichtingsverkeer, kent dus zijn beperkingen. De sociale netwerkbenadering is al genoemd als alternatief maar daar zal, in het kader van dit werk, niet verder op ingegaan kunnen worden. Verder is er nog individuele voorlichting en groepsvoorlichting.
Individuele voorlichting
De meest gebruikte methode is het tweegesprek. Dit tweegesprek biedt goede mogelijkheden voor een effectieve communicatie. Toch moet men z'n verwachtingen niet te hoog spannen. "Het is niet reëel te verwachten dat de migrant zijn houding of gedrag op basis van het gesprek radicaal zal veranderen." Het effect hangt voornamelijk af van de vertrouwensrelatie. Bij een serie gesprekken zal deze gemakkelijker ontstaan.
Het tweegesprek is tijds- en arbeidsintensief en daarom relatief duur. De voorlichter moet beschikken over goede communicatieve vaardigheden.
Enkele zaken waar men aandacht aan moet besteden bij het tweegesprek: men moet zorgen voor een passende ruimte, geschikt hulpmiddelen (zie later), men moet rekening houden met de achtergronden van de voorgelichte, met de eigen waarden en normen en men moet zich bewust zijn van de voorbeeldrol die men vervult.
Groepsvoorlichting
Groepsvoorlichting is heel geschikt wanneer meer mensen belang hebben bij voorlichting over een bepaald onderwerp. "Het is vrijwel de enige manier om voorlichting aan analfabeten te geven."
Dankzij het persoonlijke contact kan men optimaal inspelen op de kennis en ervaring van de groep. Er gaat een stimulans uit van de groepsgewijze bijeenkomst. Men kan gebruik maken van elkaars kennis en ervaring. Interactie tussen de groepsleden is vooral van belang bij de beïnvloeding van meningen en gedrag.
Het nadeel van groepsvoorlichting is dat de drempel om naar een bijeenkomst te gaan nog altijd hoog is. Als locatie kiest men best een 'laagdrempelige' plek waar veel migranten komen. Het spreekt voor zich dat de moskee geen geschikte plek is om voorlichting te geven aan vrouwen. Men moet dus rekening houden met de doelgroep.
Massamediale voorlichting
"Het voordeel van het gebruik van massamedia in voorlichting is dat ze in korte tijd een grote groep mensen bereiken met eenzelfde boodschap." Het nadeel is dat het eenrichtingsverkeer is.
Uitzendingen waarin deskundigen uit de eigen doelgroep in de eigen taal de informatie verstrekken blijken effectief te zijn. "Er schuilt wel het gevaar in dat men de verwachting wekt dat men in de eigen taal bij een afdeling, organisatie of instelling te woord wordt gestaan."
Stap 7: hulpmiddelen bij voorlichting
Auditieve middelen
Geluidscassettes worden meestal gebruikt ter ondersteuning van individuele of groepsvoorlichting. Men kan deze cassettes verdelen in drie hoofdtypes: cassettes met puur feitelijke informatie, cassettes met naast feitelijke informatie ook klankbeelden en cassettes in hoorspelvorm. "Welk type het beste is, hangt of van het doel dat men wil bereiken en de situatie waarin de cassette gebruikt wordt." Er moeten bepaalde eisen gesteld worden aan de cassette: ze mag niet te lang zijn, in de eigen taal gesproken worden , en men moet letten op het karakter van de stemmen...
Visuele middelen
De meest voorkomende schriftelijke hulpmiddelen zijn folders en brochures. Hun bruikbaarheid is echter beperkt. Hun effect is het grootst wanneer ze gebruikt worden als aanvulling.
"Aan de inhoud en vormgeving van schriftelijke voorlichtingsmiddelen voor buitenlanders mankeert nogal eens wat." Ze moeten aan bepaalde eisen voldoen. Enkele van deze eisen zijn: men moet zo concreet mogelijk zijn en de formulering moet kort, eenvoudig en liefst tweetalig zijn. De indeling van de pagina's moet eenvoudig en overzichtelijk zijn.
Bij (semi)analfabeten is het aangeraden zoveel mogelijk gebruik te maken van illustraties. Daarbij moet men wel rekening houden met een aantal zaken: "een afbeelding dient duidelijk te zijn en mag niet op meerdere wijzen te interpreteren zijn." "De gelijkenis met de werkelijkheid moet zo groot mogelijk zijn."
"Er kunnen zich met name problemen voordoen bij het waarnemen van diepte in de afbeelding, bij het inschatten van de ware grootte van de afgebeelde voorwerpen en bij het opmerken van een afgebeelde beweging."
Audiovisuele middelen
Audiovisuele middelen zijn heel geschikt om de aandacht van het publiek te trekken en ook vast te houden. Ze kunnen emoties opwekken, ze brengen de werkelijkheid bij de mensen thuis, ze kunnen abstracte informatie in beelden vertalen.
Men heeft de keuze tussen film, video of dia. Film heeft als belangrijkste nadeel dat het niet flexibel is. Men kan een film niet zo eenvoudig stilzetten en al helemaal niet terugspoelen. "Door het geringe bedieningsgemak wordt de film in de voorlichting steeds meer verdreven door de video."
De video kent een zeer groot bedieningsgemak. Het nadeel is dat slechts een beperkt aantal mensen tegelijkertijd het programma kunnen bekijken.
Dia's tenslotte kennen ook een groot bedieningsgemak. "Ze zijn flexibel inzetbaar: voor specifieke groepen en vragen kan men een keuze maken uit bestaand materiaal." Het enige nadeel is misschien dat de beelden stilstaan. Hierdoor kan men de aandacht van de kijker minder gemakkelijk vasthouden.
Interactieve media
Interactieve media zijn gebaseerd op nieuwe technologische mogelijkheden van de computer en diverse daaraan gekoppelde apparatuur zoals beeldplaatspeler, CD-speler, muis en (aanraak-)scherm. Het woord interactief verwijst naar de mogelijkheid van deze apparatuursamenstelling om op vragen, antwoorden en zoekhandelingen van de gebruiker te reageren.
Deze media geven de mogelijkheid om voorlichting en opleiding aan te bieden zodat de migrant eigen wordt gemaakt met land en taal. Hij kan zelfstandig werken hetgeen een aantal voordelen biedt.
"Leren en informeren kan onafhankelijk van plaats, tijd en beschikbaarheid van docent plaatsvinden." Faalangst en onzekerheid worden beperkt. Tenslotte heeft het interactieve leren veel impact: "men onthoudt 20% van wat men hoort, 30% van wat men ziet, 50% van wat men ziet èn hoort en 90% van wat men zelf ontdekt."
Mediamix
Vaak is een multimediale aanpak wat gecompliceerder maar wel effectief. Men combineert daarbij middelen om de doelgroep te bereiken.
Een voorbeeld van zo'n mediamix: "een mondelinge voorlichtingsbijeenkomst, ondersteund door een videoband in de eigen taal als belangrijkste medium, maar voorafgegaan door aankondigingen in de lokale media voor migranten en ook bekendgemaakt door de buitenlandse organisaties aan hun leden. Na afloop krijgen de deelnemers een folder in de eigen taal mee (of beter nog een tweetalige folder) zodat ze de informatie nog eens kunnen nalezen en eventuele adressen en telefoonnummers bewaren."
Stap 8: het opstellen van een wervingsplan
Men werft het meest effectief door persoonlijk contact maar men moet steeds bekijken of dit haalbaar is. "Het is aan te raden om een wervingsplan op te stellen waarin staat welke middelen voor de werving gebruikt worden en wie wat wanneer doet."
Voor de werving van vrouwen is huisbezoek bijna altijd noodzakelijk. Huisbezoek maakt het mogelijk vertrouwen te winnen.
Tenslotte: de evaluatie
Het is belangrijk, naar eventuele volgende activiteiten toe, te evalueren. Meestal is het niet haalbaar het effect van de voorlichting te evalueren. Men kan wel nagaan of de voorlichting begrepen is door een aantal testvragen te stellen.
Ook kan men proberen de waardering te meten voor een bepaalde activiteit. Men moet in dat geval wel uitkijken voor beleefdheidsantwoorden. "Organiseert men een reeks bijeenkomsten, dan is het verloop in het aantal deelnemers soms een duidelijke aanwijzing voor de waardering van de voorlichting. Blijven de mensen komen, dan is dat een goed teken."
Acculturatie
Assimilatie is een langdurig en veelzijdig proces. Sociale wetenschappers onderscheiden verschillende deelprocessen of fasen van dit proces. De belangrijkste hiervan zijn culturele en structurele assimilatie. Onder culturele assimilatie verstaat men een verandering in cultuur die optreedt wanneer twee groeperingen met een autonome cultuur langdurig met elkaar in contact komen. Dit proces wordt ook wel acculturatie genoemd. Hoewel het in theorie mogelijk is dat beide partijen, de immigranten en de ontvangende samenleving, elementen van elkaars cultuur overnemen, is acculturatie meestal een eenzijdig aanpassingsproces, vanwege verschillen in aantal en machtsverhoudingen tussen de culturele groeperingen in contact.
Een belangrijk kenmerk van immigranten is dat zij met één been in de nieuwe samenleving staan en met het andere been nog in het land van herkomst. Terwijl zij een bestaan trachten op te bouwen in de nieuwe samenleving, hebben zij vaak nog sociale, economische, juridische en politieke banden met het herkomstland. Behalve in economisch opzicht blijven de immigranten ook sociaal en emotioneel in de eerste generatie sterk verbonden met hun familie in het land van herkomst, het geen de acculturatie bemoeilijkt.
SCHNAPPER toont aan dat elke cultuur een ‘noyau dur’ bevat, die aan acculturatie poogt te weerstaan: “ C’est la conception de la morale entretenue depuis la première enfance par la relation entre les parents – surtout la mère – et l’enfant. A travers cette relation intime et, au sens propre, incorporée à l’individu, se transmet une morale, c’est-à-dire un système de normes, de comportements défini par l’âge, le sexe et la situation matrimoniale, dont les pratiques alimentaires (et très secondairement, pour la génération migrante, vestimentaires) constituent une expression privilégiée.” Ze maakt een onderscheid tussen hetgeen intact moet blijven, doorgegeven, gerepeteerd binnen de privé-ruimte en de periferie van het culturele systeem dat gemakkelijker moduleerbaar is.
De hardnekkigheid van deze ‘noyau dur’ is volgens SCHNAPPER een last. Ten gevolge van deze ‘noyau dur’ oordelen migranten van de tweede generatie deze weliswaar als achterhaald, maar gedragen zich er wel naar. SCHNAPPER stelt dat men dan ook moeilijk kan verwachten van de eerste generatie Afrikaanse migranten die de praktijk van vrouwenbesnijdenis bezigen, hoewel zij zelfs niet de afstand hebben genomen in hun oordelen, dat zij deze opgeven. Acculturatie is een proces dat tijd nodig heeft en men kan de tijd niet versnellen. SCHNAPPER stelt dan ook een soort tussenstadium voor, niet van assimilatie maar van een ‘intégration stabilisée’ hetgeen een ‘intégration incomplète’ inhoudt, die hen toestaat hetgeen hen te laten behouden hetgeen zij als de kern van hun cultuur beschouwen.
Beleid
De integratie van migranten vormt een omvangrijk en complex beleidsterrein, vol voetangels en klemmen, waarin zich voortdurend nieuwe ontwikkelingen voordoen. Dat vereist een goede sturing, afstemming en bewaking van de talrijke maatregelen die in het kader van dit beleid worden genomen. Daarvan kan slechts sprake zijn als het beleid gefundeerd is in een heldere visie, die voor alle betrokkenen helder is en duidelijk maakt wat er met het beleid wordt beoogd. Om daartoe te komen is een brede maatschappelijke discussie, bewustwording en beeldvorming nodig, die vanuit verschillende invalshoeken wordt gestimuleerd en gevoed. Er moet een ‘wijze van zien’, een ‘veel omvattend inzicht’, een ‘gedachtebeeld’ - kortom een visie – ontstaan over de nieuwe multiculturele samenleving, die niet alleen breed wordt gedragen, maar die ook aan organisaties en individuen concrete handvaten biedt voor een standpuntbepaling en daadwerkelijk (intercultureel) handelen.
Een integrale aanpak moet leiden tot horizontale en verticale consistentie. De horizontale consistentie houdt in dat de maatregelen op de verschillende deelgebieden (scholing, arbeidsdeelname, enzovoorts) op elkaar zijn afgestemd.Van verticale consistentie is sprake als er een logische samenhang bestaat tussen de maatregelen op macro-, meso- en micro-niveau binnen een bepaald deelgebied. Wanneer deze horizontale en verticale consistentie wordt waargemaakt, dan hoort elke maatregel binnen het beleid te sporen met de overige maatregelen op de verschillende niveaus binnen de diverse deelgebieden.
Acculturatie dient op een consistente manier op school, in de buurt, op het werk, via de media, via maatschappelijke instellingen te gebeuren. Het moet een boodschap zijn, die op vele plaatsen op dezelfde toon wordt verkondigd.
Een beleid dat effectief en efficiënt wil zijn, vereist maatwerk in de richting van de betrokken doelgroepen.Voor het ene beleidsveld is dit echter van groter belang dan voor het andere. Na het voorgaande zal duidelijk zijn dat juist het integratiebeleid hieraan hoge eisen stelt. Het succes van het beleid hangt zelfs in hoge mate hiervan af. Integratieprocessen zijn bij uitstek menselijke processen. Zaken als acceptatie, betrokkenheid en wederzijds respect kunnen alleen ontstaan als het individu zich als persoon aangesproken voelt. Dat lukt alleen als men het gevoel heeft serieus genomen te worden en wanneer men merkt dat er daadwerkelijk aandacht voor hem is en er rekening gehouden wordt met zijn gevoelens, wensen en behoeften.

