
Conclusies en aanbevelingen
Mijn langdurige contacten met Afrikanen hier in België hebben hun vruchten afgeworpen, in dit kader in die zin dat hierdoor een aantal vrouwen bereid waren geïnterviewd te worden aangaande het onderwerp van deze thesis, namelijk de besnijdenis bij vrouwen. Deze interviews zijn uniek voor België en zouden nooit mogelijk geweest zijn zonder de vertrouwensband die ik gedurende die lange periode had opgebouwd. Ook het feit dat ik een vrouw ben, heeft in dit geval in mijn voordeel gespeeld. Was ik een man geweest dan zouden de vrouwen er nooit zo openhartig over gesproken hebben.
Het feit dat de vrouwen allen aan eenzelfde profiel beantwoorden, is relevant voor hun antwoorden. Een Afrikaanse vrouw met een ander profiel (bijvoorbeeld beter geïntegreerd en hoger opgeleid) zou misschien andere antwoorden gegeven hebben. Een suggestie voor verder onderzoek is dan ook het interviewen van vrouwen met uiteenlopende profielen. Dit met de bedoeling te onderzoeken of hun antwoorden daadwerkelijk zouden variëren naar gelang het profiel en in welke richting. Op die manier zou men kunnen proberen de factoren te bepalen die de meeste invloed hebben op de mening van de vrouwen over dit onderwerp, welke informatie men zou kunnen gebruiken bij het uitstippelen van een beleid aangaande dit fenomeen.
Uit de interviews blijkt dat de traditie vrouwen te besnijden, diep verankerd is in de cultuur van de desbetreffende vrouwen. Het besnijden wordt gezien als iets dat noodzakelijk is en onvermijdelijk, wil men in de groep geaccepteerd worden. De sociale druk om vrouwen te laten besnijden is zeer groot en geen enkele van de geïnterviewde vrouwen denkt erover haar (toekomstige) dochter(s) niet te laten besnijden. Zij beschouwen het als een deel van hun identiteit.
Zij begrijpen over het algemeen niet waarom Westerlingen dit gebruik als problematisch zien en vinden het vreemd dat zij voor dit gebruik veroordeeld worden. In hun ogen is het een normale praktijk die alle commotie niet waard is.
Vaak zijn zij niet op de hoogte van het feit dat dit gebruik in het Westen verboden is bij wet ( expliciet of in het kader van een algemenere wet). Zelfs zij die wel hiervan op de hoogte zijn, trekken zich van de wet niets aan. Geen enkele vrouw gaf te kennen de wet te zullen respecteren maar het risico bij wet veroordeeld te worden, te zullen nemen. Wel gaven zij aan een ontwijkend gedrag te zullen vertonen, ofwel door de praktijk illegaal te laten plaatsvinden, ofwel de besnijdenis in het land van herkomst te laten uitvoeren.
Complicaties die bij de besnijdenis zouden kunnen optreden of later, ten gevolge van de besnijdenis, worden niet in verband gebracht met de besnijdenis op zich maar geweten aan externe factoren.
In het Westen, zo blijkt uit de literatuur, wordt het gebruik sterk afgekeurd. Alleen al het gebruik van de term mutilatie, geeft dit weer. De hevige reactie tegen het gebruik, is geankerd in het overwegend universalistisch denken dat in het Westen gebezigd wordt. Het universalisme stelt dat er universele normen en waarden bestaan die altijd en overal geldig zijn. De besnijdenis van de vrouw wordt vaak gezien als een onderdrukking van de vrouw door de man, een praktijk waartegen het feminisme jarenlang heeft gevochten en die niet meer geaccepteerd wordt in de Westerse samenlevingen (in ieder geval in theorie). Er wordt in het Westen aangenomen dat de vrouw evenveel rechten heeft dan de man en dat dit juist is. Men meent dat dit overal ter wereld zo zou moeten zijn.
In het Westen gaan weliswaar stemmen op voor een of andere vorm van cultureel/ethisch relativisme maar de boventoon wordt gevoerd door een cultureel/ethisch universalisme. Het relativistisch denken krijgt veel kritiek en wanneer men kijkt naar wetteksten en dergelijke, als institutionalisering van waarden en normen, moet men concluderen dat geen rekening wordt gehouden met andere zienswijzen. Er zijn soms wel tekenen dat culturele factoren erkend worden in de rechtspraak (voorwaardelijke straf in plaats van effectieve toekennen of het niet toepassen van de wetgeving maar het te gebruiken als signaal dat een debat zou kunnen entameren bijvoorbeeld) maar aan het principe dat het een sterk afkeurenswaardige praktijk is, wordt niet getornd.
Wanneer beide partijen (zij die voor het gebruik zijn en zij die er tegen zijn) bij hun standpunt blijven, dreigt er een impasse te ontstaan. Aangezien het gros van de mensen in het Westen niet bereid is een relativistisch standpunt in te nemen, maar er integendeel van overtuigd is dat er universele normen en waarden bestaan, en repressie niet helpt om het doel (afschaffing van de besnijdenis bij vrouwen) te bereiken, lijkt de enige uitweg uit de impasse ( tegenstelling tussen universalistisch denken - relativistisch denken, progressief - circulair denken, prioriteit van het individu - de groep, verandering - behoud) de tijd, ervan uitgaande dat cultuur geen stabiel gegeven is, dat een bepaalde acculturatie overal speelt en dat interculturele communicatieprocessen, niet alleen de mening maar ook het gedrag van de gemeenschappen die besnijdenis bij vrouwen toepassen, noodzakelijkerwijze zal veranderen.
Dat cultuur geen stabiel gegeven is, is gebleken uit de geschiedenis. Cultuur is maakbaar. Een middel om de cultuur van een bepaalde groep te beïnvloeden, is het geven van voorlichting, afgestemd op de doelstelling en de doelgroep. Het feit dat voorlichter en voorgelichte verschillende culturen hebben, maakt dat speciale aandacht voor deze cultuurverschillen vereist is. De voorlichting dient te gebeuren volgens een voorafgaandelijk uitgewerkt plan dat, indien nodig, na evaluatie, bijgesteld moet worden.
Deze voorlichting zal bij voorkeur moeten kaderen in een consistent en consequent beleid dat een duidelijke visie uitdraagt, niet enkel over dit fenomeen maar tevens over andere culturele verschillen. Deze visie over de multiculturele samenleving moet breed gedragen worden en aan organisaties en individuen duidelijk houvast bieden voor een standpuntbepaling en daadwerkelijk handelen.
Alleszins zal men hierbij met respect en betrokkenheid te werk moeten gaan. Aangezien het Westen in een situatie verkeert met meer (potentiële) macht, zal vooral het Westen hier gevoelig voor moeten zijn en zich hiervoor moeten inzetten. De betrokken personen moeten het gevoel hebben dat zij serieus genomen worden, dat er aandacht voor hen is en dat er rekening gehouden wordt met hun gevoelens, wensen en behoeften.
Ik zou bij deze willen suggereren dat er in België meer aandacht moet komen voor dit probleem op het gebied van voorlichting en beleidsvorming. Verder onderzoek zou een inventarisatie kunnen maken van de bestaande voorlichtingsinitiatieven en het bestaande beleid (anders dan het repressieve wetgevingsbeleid) met de doelstelling deze te evalueren en zonodig bij te sturen en te integreren.

